Introductie Belangrijke Figuren → Bahá'u'lláh


Bahá'u'lláh (Glorie van God) werd geboren in 1817 en was een telg uit een van de meest vooraanstaande families van Perzië. De familie stamde af van de regerende vorstenhuizen uit het keizerlijke verleden van Perzië, was rijk en bezat uitgestrekte landgoederen. Zijn afkomst boden Bahá'u'lláh de mogelijkheid van een carrière aan het hof, maar Hij keerde Zich daarvan af en werd bekend om Zijn edelmoedigheid en beminnelijkheid, die Hem zeer geliefd maakten bij Zijn landgenoten.

Nadat Bahá'u'lláh bekend gemaakt had dat Hij de Zending van de Báb steunde, duurde Zijn bevoorrechte positie niet lang meer.

Overspoeld door golven van geweld die na de executie van de Báb tegen Zijn volgelingen ontketend werden, verloor Bahá'u'lláh niet alleen Zijn aardse bezittingen maar moest Hij ook gevangenschap, martelingen en een reeks verbanningen ondergaan. De eerste verbanning bracht Hem naar Bagdad, waar Hij Zich in 1863 bekendmaakte als Degene Die door de Báb beloofd was. Van Bagdad werd Bahá'u'lláh verbannen naar Constantinopel (Istanboel), Adrianopel (Edirne) en ten slotte naar Akko in het Heilige Land, waar Hij in 1868 als gevangene aankwam.

Bahá'u'lláh heeft vanuit Adrianopel en Akko brieven geschreven aan de toenmalige heersers van de wereld, welke tot de meest opmerkelijke documenten in de godsdienstgeschiedenis behoren. Ze kondigden de toekomstige eenwording van de mensheid en het ontstaan van een wereldbeschaving aan. Op deze koningen, keizers en presidenten van de negentiende eeuw werd een beroep gedaan hun geschillen bij te leggen, hun bewapening te verminderen en hun energie aan de vestiging van wereldvrede te wijden.

Bahá'u'lláh overleed in Bahjí, even ten noorden van Akko, Israël en is hier ook begraven.

Zijn leringen begonnen toen al buiten de grenzen van het Midden-Oosten bekend te worden en Zijn graftombe is de belangrijkste plaats voor de bahá'í-gemeenschap.

 
Wij gebruiken cookies voor onze interne statistieken.