Introductie Geschiedenis → Het ontstaan


Het Bahá'í Geloof is op gelijksoortige wijze uit de Islám ontstaan als indertijd het Christendom uit de Joodse godsdienst.
Vele Joodse profeten kregen gezichten, dromen en visioenen van de komst van de Messias (Jezus Christus) en Diens voorloper (Johannes de Doper). De laatste van deze profeten was Zacharias.

Na de dood van Mohammed ontstond er over Diens opvolging zoveel onenigheid onder de moslims, dat er een belangrijke scheuring in de toenmalige islamitische wereld plaatsvond: de Soennieten die de lijn van de Kaliefen volgden, en de Shi'ieten die de lijn van de nakomelingen van Mohammed, de 12 Imáms, volgden.

Rond 1790 kreeg Shaykh Ahmad ibn Zaynu'd-Dín al-Ahsá'í (1753-1826), stichter van de Shaykhí beweging, in de Arabische woestijn visioenen van de komst van de Beloofde. Zijn inzichten werden door vele Shi'ieten als ketterij bestempeld. Na zijn dood werd de beweging door Sayyid Kázim ibn Qásim Rashtí (gestorven in 1843) verder geleid. Zij wilden geen afsplitsing van de Shi'ieten veroorzaken, maar dat gebeurde buiten hun wil toch. Sayyid Kázim zond zijn discipel Mullá Husayn Bushrú'í uit, die in 1844, in Shiraz, Irán, de Voorloper van de Beloofde Tijd ontmoette, Mirzá Mohammed 'Alí, de Báb (betekent 'Poort'). In 1863 verkondigde Mirzá Husayn 'Alí, Bahá'u'lláh (betekent 'de Glorie van God'), in Baghdad dat Hij de Beloofde was Die door de Profeten van alle godsdiensten was voorzegd.

1844 is het jaar van het ontstaan van het Bahá'í tijdperk, een tijdvak dat de aanvang aangeeft van de meest glorieuze episode in de grootste cyclus, die de geestelijke geschiedenis van de mensheid ooit te zien heeft gegeven.

Laatst aangepast (vrijdag 25 september 2009 19:21)

 
bahaullah-akka.jpg
Wij gebruiken cookies voor onze interne statistieken.