Bewijzen en getuigenissen van het bestaan van God

Eén van de bewijzen en aanwijzingen van het bestaan van God is het feit dat de mens niet zichzelf heeft geschapen; neen, zijn schepper en ontwerper is een ander dan hijzelf. Het is een vaststaand en onweerlegbaar feit dat de schepper van de mens niet aan de mens gelijk is, omdat een machteloos schepsel niet in staat is een ander wezen te scheppen. De maker, de schepper, moet alle volmaaktheden bezitten om te kunnen scheppen.

Kan de schepping volmaakt zijn en de schepper onvolmaakt? Kan een schilderij een meesterwerk zijn en de schilder een onvolmaakt kunstenaar zijn? Want het is zijn kunst en zijn schepping. Bovendien kan het schilderij niet aan de schilder gelijk zijn, anders zou het schilderij zichzelf hebben geschapen. Hoe volmaakt het schilderij ook moge zijn, vergeleken met de schilder bevindt het zich in de uiterste graad van onvolmaaktheid. De vergankelijke wereld is de bron van onvolmaaktheid; God is de bron van volmaaktheden. De onvolmaaktheden van de vergankelijke wereld zijn op zichzelf een bewijs van de volmaaktheden van God.

Als u bijvoorbeeld de mens beziet, ziet u dat hij zwak is. Juist deze zwakte van het schepsel is een bewijs van de macht van de eeuwige Almachtige, omdat, als er geen macht was, zwakte niet was voor te stellen. De zwakte van het schepsel is dan ook een bewijs van de macht van God, want als er geen macht was, kon er geen zwakte zijn. Uit deze zwakte wordt het dus duidelijk dat er in de wereld macht bestaat. Nog eens, in de vergankelijke
wereld bestaat armoede; dan moet er noodzakelijkerwijs rijkdom bestaan, aangezien er armoede voorkomt in de wereld. In de vergankelijke wereld treffen wij onwetendheid aan; dan moet er kennis bestaan, omdat men onwetendheid aantreft; want als er geen kennis was, zou er geen onwetendheid zijn. Onwetendheid is het niet-bestaan van kennis en als er geen bestaan was, zou men zich niet-bestaan niet kunnen voorstellen.

Het is zeker dat de hele vergankelijke wereld onderworpen is aan een wet en regel waaraan ze nooit ongehoorzaam kan zijn; zelfs de mens is gedwongen om de dood, de slaap en andere toestanden te ondergaan, dat wil zeggen, de mens wordt in bepaalde gevallen geleid en deze staat waarin men wordt geleid, houdt het bestaan van een leider in. Omdat een kenmerk van vergankelijke wezens afhankelijkheid is en deze afhankelijkheid
een essentiële eigenschap is, móet er een onafhankelijk wezen zijn wiens onafhankelijkheid essentieel is.

Evenzo moet men uit het feit dat er zieke mensen zijn, opmaken dat er gezonde mensen bestaan, want als er geen gezondheid bestond, kon ziekte niet worden aangetoond. Daarmee wordt het duidelijk dat er een eeuwige Almachtige bestaat Die de bezitter is van alle volmaaktheden, omdat, als Hij niet alle volmaaktheden zou bezitten, Hij aan Zijn schepping gelijk zou zijn. In de hele bestaanswereld is het hetzelfde; het kleinste geschapen
voorwerp toont aan dat er een schepper is. Dit stuk brood bijvoorbeeld, toont aan dat het een maker heeft.

Ere zij God! De geringste verandering die teweeg wordt gebracht in de vorm van het kleinste voorwerp, toont het bestaan aan van een schepper: kan dan dit grote universum dat geen einde heeft, zichzelf geschapen hebben en tot stand zijn gekomen door de werking van materie en de elementen? Hoe vanzelfsprekend is het dat zo'n veronderstelling onjuist is!

Deze vanzelfsprekende argumenten worden aangevoerd voor zwakke zielen; maar als het innerlijke waarnemingsvermogen open is, worden er honderdduizenden duidelijke bewijzen zichtbaar. Als de mens dus de in hem aanwezige geest voelt, heeft hij geen behoefte aan bewijsvoeringen om het bestaan ervan aan te tonen, maar voor degenen die verstoken zijn van de milddadigheid van de geest, moeten er directe bewijsvoeringen worden geleverd.

Bron: Beantwoorde Vragen van de auteur 'Abdu'l-Bahá

 
Wij gebruiken cookies voor onze interne statistieken.